Terwijl een groot deel van de activiteiten binnen de Dordtse Reddingsbrigade tijdens de zomermaanden even op een lager pitje stond, werd er door een aantal leden van onze Lifesaving-ploeg volop doorgetraind. In december staat namelijk een bijzonder evenement op de planning: het WK Lifesaving in Zuid-Afrika.
Een van de mensen die hierbij een belangrijke rol speelt, bij het voorbereiden van de sporters op het WK, is coach Bart. In dit interview maken we kennis met Bart, ontdekken we wat hem zo aanspreekt in de lifesavingsport en nemen we een kijkje in zijn rol als coach op weg naar het WK.

Kennismaken met Bart
Hoe ben jij zelf in de lifesavingsport terechtgekomen?
Eigenlijk door onze kinderen. Toen zij begonnen met wedstrijdzwemmen bij De Krabben in Bergen op Zoom, trainden ze vijf keer per week. Sylvia bracht ze meestal naar de avondtrainingen en tijdens de trainingen om 06.30 uur zat ik twee ochtenden per week op de tribune. Tot op een gegeven moment de bekende oproep kwam: “Wij zoeken nog vrijwilligers voor aan de badrand.” Sylvia ging aan de slag bij de minioren en behaalde later haar trainerslicentie B. Ik kwam van de tribune af en begon tijdens die vroege ochtendtrainingen heel eenvoudig met het voorlezen van de training.
Toen onze kinderen later op zwemgebied een stap hogerop wilden, gingen we naar SBC2000 in Breda. Daar ben ik het trainerschap serieuzer gaan oppakken. Ik heb veel kunnen sparren met de toenmalige trainer Rafael Gacek, van wie ik ontzettend veel heb geleerd over zwemtechniek, trainingsopbouw en het kijken naar sporters. In die periode behaalde ik ook mijn licentie Wedstrijdzwemmen 3.
Via twee sportsters bij SBC2000 kwamen onze kinderen vervolgens in aanraking met lifesaving. Samen met meerdere zwemmers begonnen zij bij de Tilburgse Reddingsbrigade, terwijl ze in Breda bleven trainen. Daar raakte ik, samen met Theo Hutten, ook besmet met het “lifesavingvirus”. Toen er later voor het team een andere brigade werd gezocht, kwamen we terecht bij Reddingsbrigade Dordrecht. Dat is inmiddels bijna veertien jaar geleden.
Sindsdien ben ik mezelf blijven ontwikkelen door trainingen te geven, opleidingen, cursussen en bijeenkomsten te volgen, veel te lezen, met andere trainers te praten en vooral heel veel in de praktijk uit te proberen. Trainer worden houdt volgens mij namelijk nooit op.
Als ik daarop terugkijk, vind ik het bijzonder dat het allemaal begon met twee ochtenden om 06.30 uur op een tribune en het voorlezen van een training. Daarom zou ik tegen ouders die nu op de tribune zitten willen zeggen: kom er eens vanaf en probeer gewoon eens een uurtje aan de badrand te staan. Je hoeft echt niet vijf keer per week training te geven, allerlei diploma’s te halen of er zo gek mee bezig te raken als ik. Als meerdere ouders ieder één uurtje helpen, kunnen we met elkaar al ontzettend veel bereiken. Misschien blijft het bij dat ene uurtje en misschien ontdekt iemand dat hij of zij het ontzettend leuk vindt en groeit daar vanzelf meer uit. Ik wist die eerste ochtend tenslotte ook niet waar het toe zou leiden.
“Ik ben nooit trainer geworden omdat ik zelf zo nodig aan de badrand wilde staan. Ik ben er terechtgekomen door de sporters. En eigenlijk is dat al die jaren zo gebleven.”
Wat maakt Reddingsbrigade Dordrecht voor jou bijzonder?
Reddingsbrigade Dordrecht is voor mij bijzonder omdat het veel meer is dan alleen onze wedstrijdploeg. Het is een grote brigade waarin verschillende disciplines samenkomen. We hebben natuurlijk onze Lifesaving-ploeg, maar daarnaast ook een grote botenploeg, EHBO’ers beveiligers van sportevenementen met de boardploeg en mensen die kinderen opleiden voor hun zwemdiploma. Bij grote evenementen zijn onze mensen eveneens zichtbaar en actief. Dat laat mooi zien hoe breed een reddingsbrigade eigenlijk is.
Binnen de Lifesaving-ploeg vind ik vooral de verbinding tussen sport en reddingswerk bijzonder. Wij trainen natuurlijk op snelheid, kracht en techniek en willen tijdens wedstrijden zo goed mogelijk presteren, maar achter veel wedstrijdonderdelen zit een vaardigheid die oorspronkelijk bedoeld is om mensen te redden. Dat maakt onze sport anders dan veel andere sporten.
Tegelijkertijd hebben we binnen Dordrecht sporters die op nationaal en internationaal niveau presteren en opnieuw op een wereldkampioenschap mogen uitkomen. Dat is natuurlijk prachtig voor die sporters zelf en voor het team, maar volgens mij mag ook de hele brigade daar trots op zijn.

Als je de Lifesaving-ploeg in drie woorden zou moeten omschrijven, welke zijn dat?
- Gedreven
- Eigenwijs
- Ambitieus.
En dat eigenwijze bedoel ik nadrukkelijk positief. Ik wil geen groep sporters die alleen maar uitvoert wat ik op een trainingsbord schrijf. Ik wil juist dat ze nadenken, vragen stellen en soms tegen mij zeggen: “Bart, volgens mij kan dit anders.” Daar moet je als coach tegen kunnen. Sterker nog, volgens mij moet je daar blij mee zijn, want dan is een sporter bewust met zijn of haar sport bezig.
“Uiteindelijk is het niet mijn sport, maar die van de sporters. Ik ben er voor hen; zij zijn er niet voor mij.”
Dat betekent ook dat de ambitie vanuit de sporter zelf moet komen. Ik kan tegen iemand zeggen dat ik denk dat hij of zij misschien wereldkampioen zou kunnen worden, maar als die sporter die droom zelf niet heeft, is het mijn doel geworden en niet dat van de sporter.
De sporter moet daarom eerst zelf zeggen: “Dit wil ik bereiken.” Daarna kunnen we samen bekijken of dat realistisch is, wat daarvoor nodig is en welke inspanningen en soms ook offers iemand bereid is daarvoor te leveren. Dan wordt het mijn taak als coach om te helpen de weg naar dat doel zo goed mogelijk af te leggen.
Wat leren de sporters jou als coach?
Ontzettend veel. Dat is waarschijnlijk ook een van de redenen waarom ik het na al die jaren nog steeds zo leuk vind. Je kunt als trainer veel kennis verzamelen, boeken lezen, opleidingen volgen en thuis een training maken waarvan je denkt dat alles perfect in elkaar zit, maar uiteindelijk laat de sporter aan de badrand zien of wat je bedacht hebt ook werkelijk werkt. Soms weet ik binnen tien minuten dat een training anders moet dan ik hem thuis had bedacht. Dan moet je als trainer durven aanpassen.
Sporters leren mij daardoor steeds opnieuw kijken. Waarom beweegt iemand op een bepaalde manier? Waarom werkt een techniek bij de ene sporter wel en bij de andere niet? Wat gebeurt er wanneer vermoeidheid optreedt? Maar vooral: wat voelt de sporter zelf?
Daarom probeer ik niet alleen te vertellen wat iemand fout doet. Ik stel liever vragen als: “Wat voelde je?”, “Waarom denk je dat dat gebeurde?” en “Wat kun je zelf veranderen?” Een jonge sporter zal daarin natuurlijk meer begeleiding nodig hebben dan een ervaren senior, maar uiteindelijk wil ik dat een sporter steeds beter begrijpt wat er met zijn of haar lichaam en techniek gebeurt.
Mijn uiteindelijke doel is eigenlijk dat een sporter zichzelf leert coachen. Wanneer een ervaren sporter na een herhaling zelf kan vertellen wat er technisch gebeurde, waarom het gebeurde en wat hij of zij bij de volgende poging wil veranderen, dan heb je als trainer iets bereikt.
“Een coach die denkt dat hij alles al weet, is volgens mij gestopt met coachen.”
Bart, coach op weg naar het WK
Een WK vraagt niet alleen veel van de sporters, maar ook van de mensen die hen begeleiden. De weg naar Zuid-Afrika bestaat uit maanden van trainen, voorbereiden en steeds weer werken aan verbetering.
Wat betekent het voor jou als coach dat de ploeg straks naar het WK in Zuid-Afrika gaat?
Heel veel. Een WK is het hoogste podium waarop deze sporters kunnen uitkomen. Als je ziet hoeveel uren ze trainen, hoeveel energie ze erin steken en hoeveel ze er soms voor moeten laten, dan vind ik het bijzonder dat ik een stukje van die weg met hen mag meelopen.
Tegelijkertijd probeer ik het WK niet groter te maken dan nodig. Het zwembad is in Zuid-Afrika nog steeds 50 meter en de POP wordt daar niet ineens zwaarder omdat er “World Championships” boven de deur staat. De technieken die de sporters daar moeten uitvoeren, zijn dezelfde technieken die we hier honderden keren hebben geoefend.
Daarom richten we ons nu vooral op het werk dat we zelf kunnen doen. Techniek verbeteren, sneller en sterker worden, leren omgaan met vermoeidheid en wedstrijdonderdelen analyseren om te ontdekken waar nog tijd te winnen valt. We hoeven daarvoor niet voortdurend complete wedstrijden te zwemmen. Vaak kun je juist veel gerichter werken door een wedstrijd uit elkaar te halen en bepaalde onderdelen vaker te trainen.
Als we dat werk de komende maanden goed doen, moeten de sporters straks in Zuid-Afrika vooral kunnen vertrouwen op wat ze hier hebben opgebouwd.

Wat wordt volgens jou de grootste uitdaging voor de sporters?
Ik denk dat de grootste uitdaging niet alleen fysiek zal zijn. Op een wereldkampioenschap heeft iedereen hard getraind en iedereen wil presteren. Het verschil wordt dan mede gemaakt door wie op het juiste moment kan uitvoeren wat maandenlang is geoefend.
Spanning speelt daarbij natuurlijk een rol. Een start kan minder zijn, een keerpunt kan misgaan of een technische handeling kan anders lopen dan verwacht. Dan komt mentaliteit om de hoek kijken. Ik probeer mijn sporters daarbij één ding mee te geven: geen “ja maar”. Daarmee bedoel ik niet dat je een probleem moet negeren. Benoem wat er gebeurt, maar blijf er niet in hangen. De vraag moet zijn: “Wat kan ik nu nog beïnvloeden?” Tijdens een wedstrijd heb je namelijk geen tijd om uitgebreid na te denken over iets wat fout ging. Oplossen en door.
Diezelfde gedachte geldt eigenlijk ook tijdens de voorbereiding. Onze sporters hebben naast hun sport ook school, werk, familie en andere verplichtingen. Die verdwijnen niet omdat er een WK aankomt. Als 3coach moet je daarom naar de totale belasting van een sporter kijken. Een trainingsschema is een plan, geen wet. Soms staat er een zware training gepland, maar zie je aan de badrand dat die training op dat moment niets gaat opleveren. Dan moet je durven aanpassen.
Je traint uiteindelijk geen Excelbestand. Je traint mensen.
Waar kijk je het meest naar uit in Zuid-Afrika?
Natuurlijk naar het moment waarop onze sporters daadwerkelijk aan de start staan. Daar hebben zij al die maanden voor gewerkt. Maar ik denk dat ik vooral uitkijk naar het totaalplaatje: samen als ploeg op een wereldkampioenschap staan, de spanning voor een race voelen, zien hoe sporters elkaar helpen en aanmoedigen en meemaken hoe al die trainingsuren uiteindelijk samenkomen in een wedstrijd.
Ik blijf natuurlijk trainer. Dus zelfs tijdens een WK zal ik waarschijnlijk naar een keerpunt kijken en denken: “Daar kunnen we nog twee tienden winnen.” Dat gaat er vermoedelijk nooit meer uit.
Maar hopelijk zijn er ook momenten waarop ik even niet analyseer en gewoon kan kijken en denken: ze staan hier wel. Op een WK.
Daar mogen de sporters zelf, de trainers én de hele vereniging trots op zijn.

Wat hoop je dat de sporters na het WK meenemen, ongeacht hun prestaties?
Voor mij begint dat eigenlijk al vóór het WK. De grootste bonus die ik als trainer kan krijgen, is wanneer een sporter in zichzelf gaat geloven en ontdekt dat hij of zij meer kan dan vooraf werd gedacht. Dat vind ik uiteindelijk veel belangrijker dan welke medaille dan ook.
Een persoonlijk record is daar een mooi voorbeeld van. Natuurlijk kijk ik als trainer naar de tijd op de klok en zie ik onmiddellijk waar winst of verlies zat. Maar veel mooier vind ik de reactie van een sporter die naar die tijd kijkt en beseft: “Dit heb ik zelf gedaan.” Daar kan ik echt van genieten.
“Ik hoop dat onze sporters na het WK niet alleen naar de uitslagenlijst kijken. Ik hoop dat ze terugkijken en beseffen waar ze vandaan kwamen, hoeveel werk ze erin hebben gestoken en hoeveel beter ze onderweg zijn geworden.”
Daarom zeg ik ook nooit tegen een sporter: “Jij gaat daar een medaille halen.” Je hebt invloed op je eigen voorbereiding en op je eigen prestatie, maar je hebt geen invloed op wat de sporters in de andere banen doen. Ik wil veel liever dat iemand straks aan de start staat met het vertrouwen: “Ik ben goed voorbereid, ik weet wat ik kan en nu ga ik proberen het beste uit mezelf te halen.”
Als daar vervolgens een persoonlijk record, een finaleplaats, een medaille of misschien iets totaal onverwachts uitkomt, is dat fantastisch. Maar voor mij bepaalt niet alleen de uitslagenlijst of iemand goed heeft gepresteerd. Een sporter kan misschien geen PR zwemmen en toch technisch precies de race uitvoeren waar we maanden aan gewerkt hebben. Ook dat kan ontwikkeling zijn.
Hetzelfde geldt voor een teamresultaat. De één staat misschien op het podium, een ander zwemt een persoonlijk record en weer een ander levert op zijn of haar manier precies de bijdrage die het team nodig heeft. Al die individuele inspanningen vormen samen het resultaat van de ploeg. Daar kan ik stilletjes ontzettend trots op zijn.
Niet omdat ik dat resultaat heb neergezet. Dat hebben de sporters gedaan. Als ik onderweg iemand technisch beter heb kunnen maken, vertrouwen heb kunnen geven, heb kunnen uitdagen of op het juiste moment een klein zetje heb kunnen geven om iets te durven proberen, dan is dat voor mij de bonus van trainer zijn.
En natuurlijk, als iemand straks in Zuid-Afrika met een medaille om zijn of haar nek staat, geniet ik daar enorm van. Maar waarschijnlijk sta ik ergens een stukje verderop vooral stilletjes trots te zijn. Want uiteindelijk is het hun wedstrijd, hun prestatie en hun moment.
De sport is van de sporters. Ik mag ze alleen een stukje op weg helpen
